Community Abonneren
×

Boze mensen verdienen ook hulp

Mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis krijgen te weinig ondersteuning in de eerste lijn, vindt bijzonder hoogleraar en psycholoog Arno van Dam. “Natuurlijk kan het contact echt onaangenaam zijn, maar je moet willen dat er een relatie ontstaat.”

Mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis krijgen te weinig ondersteuning in de eerste lijn, vindt bijzonder hoogleraar en psycholoog Arno van Dam. “Natuurlijk kan het contact echt onaangenaam zijn, maar je moet willen dat er een relatie ontstaat.”

Impulsief, de wereld als vijand zien, zich niet aan afspraken houden. Wantrouwend, snel geïrriteerd, weinig oog voor belangen van anderen. Het zijn mensen met een ‘antisociale persoonlijkheidsstoornis’ volgens de taal van de geestelijke gezondheidszorg. Niet bereid te wachten tot ze aan de beurt zijn, ontrouw in hun medicatiegebruik, de rekening niet betalen.

Arno van Dam is bijzonder hoogleraar antisociaal gedrag, psychiatrie en maatschappij aan de Universiteit van Tilburg. Hij werkt als psycholoog al decennia met mensen die deze problemen hebben. Ze kunnen op weinig sympathie rekenen. In hun dagelijks leven, maar zeker ook in de zorg. “Deze groep roept sterke emoties op bij professionals. Wat tot mijn grote verdriet vaak gebeurt, is dat we ons wel identificeren met hun slachtoffers, maar niet met deze daders. Terwijl het vaak mensen zijn die zelf ook zeggen dat ze hulp nodig hebben. Omdat ze telkens weer problemen krijgen met anderen, omdat ze bang zijn hun vrouw, hun kinderen, hun baan kwijt te raken.”

Volgens Van Dam heeft zo’n twee procent van de Nederlandse bevolking trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Het zijn meestal mannen, vaak met een lage sociaal-economische status. De ‘lijdensdruk’ is bij deze groep hoog. “We zien bijvoorbeeld relatief veel geslaagde suïcides.”

Drie dynamieken
‘Antisociale persoonlijkheidsstoornis’ is voor Van Dam als classificatie te algemeen. Hij ziet drie onderliggende dynamieken. De eerste is een gebrek aan vertrouwen. “Het zijn mensen die vroeger onveiligheid hebben ervaren en nu meestal nog in een onveilige omgeving leven”, zegt hij. “Ze hebben als coping strategie om zelf de eerste klap uit te delen. Je kunt met name hen antisociaal noemen.”

De tweede dynamiek is het onvermogen zich in andere mensen te verplaatsen. “Dat heeft te maken met emotionele verwaarlozing. Die mensen hebben niet geleerd om in te schatten wat er in een ander omgaat. Ze zijn niet zozeer antisociaal, maar asociaal. Ze hebben geen kwaad in de zin.” En de derde dynamiek is wat Van Dam de ‘Hannibal Lectors’ noemt. Mensen met een zeer laag angstniveau. “Die voelen weinig emoties, kunnen heel berekenend heel kwade dingen doen.”

Het onderscheid tussen de drie is, meent Van Dam, juist voor de begeleiding essentieel. Waar bij de eerste twee groepen ‘sociale problematiek’ een grote factor is, is bij de ‘psychopaten’, een veel kleinere groep de specialistische ggz zonder meer aan zet.

Werkrelatie
Van Dam ziet echter dat ook de mensen met de ‘antisociale’ en de ‘asociale’ problematiek bij de ggz belanden. De zorg is in zijn ogen “veel te supergespecialiseerd” geraakt, wat geen recht doet aan deze mensen. Hij vertelt: “Ze hebben vaak een hele brei aan problemen: financieel, relatie, werk, justitie. En dan komen ze in een vakje bij de ggz. En in dat vakje moet je netjes op de afspraak komen.

En dan is er een behandelprotocol. En dan wordt er wel eens van behandelaar gewisseld. Allemaal afhaakmomenten terwijl ze ondertussen ook met die andere problemen zitten.”

Van Dam bepleit een laagdrempeliger aanpak. “Mijn ideaalbeeld is dat deze mensen makkelijk in de eerste lijn terecht kunnen. Bij het wijkteam, bij de huisarts, dat ze dan iemand met gezond verstand tegenkomen die met ze meedenkt. Wat is hier allemaal aan de hand? Wat kunnen we doen aan de problemen in het dagelijks leven? In plaats van dat er direct een traumaprotocol ingezet wordt.”

De werkelijkheid is anders. Wanneer mensen zich met antisociale of asociale problemen melden, bijvoorbeeld omdat ze hun vrouw geslagen hebben, dan ligt de doorverwijzing bij wijze van spreken al klaar. Van een gesprek bij de huisarts naar de basis ggz, van een gesprek bij de basis ggz naar de specialistische ggz, zelfs naar de forensische psychiatrie. Volgens Van Dam neemt bij iedere nieuwe afspraak de kans op afhaken toe. “Als iemand zich met deze problemen meldt bij een huisarts of een wijkteam, dan is dat een mooie kans. Natuurlijk kan het contact echt onaangenaam zijn, maar je moet willen dat er een werkrelatie ontstaat.”

Makkelijk lullen
Het zijn mensen, benadrukt Van Dam telkens, mensen met hun behoeftes en hun pijn. Die gehoord en gezien willen worden. “Wat vaak in het contact niet goed gaat, is dat ze worden aangesproken op wat ze verkeerd doen”, zegt hij. “Ze weten zelf heus wel dat huiselijk geweld niet goed is. Ze voelen de veroordeling van de maatschappij. Daar wapenen ze zich al tegen.”

Professionals in de eerste lijn, bijvoorbeeld ook de poh-ggz, zouden volgens Van Dam onderscheid moeten maken tussen het begrijpen van de emotie van degene tegenover hen en het goed praten van diens gedrag. “Dit kunnen net zo goed mensen zijn die zich slachtoffer voelen van onrecht. Ze zoeken iemand die begrijpt dat hun leven ontzettend tegenzit. De erkenning daarvan is de eerste stap. We hebben vaak empathie voor mensen met te veel angst, te veel verdriet, maar sommige mensen hebben last van te veel boosheid. Die emotie vinden we als professionals lastiger.”

Het leggen van het contact vraagt aandacht, precisie, goed luisteren. Het heeft met timing te maken, zegt Van Dam. Met openheid. “Deze mensen voelen haarfijn aan wanneer je bang bent. Als ik bang ben, dan zeg ik dat. Juist het verdoezelen leidt tot het verlies van respect. Professionals in de eerste lijn en in de ggz laten die openheid nu vaak niet zien en verbergen zich dan achter regels, procedures, afspraken. Wat weer boosheid en agressie oproept.”

Op achterstand
Maar hoe goed professionals hun werk ook doen, volgens Van Dam blijft het zo dat zij “een heel specifieke” sociale groep zijn. Vaak hoger opgeleid, vaak vrouw, een vast en redelijk goed inkomen, geëmancipeerd, politiek links van het midden, een bepaalde kledingstijl. “Dat verschilt echt met mensen die antisociale of asociale problematiek hebben. Die hebben een heel ander leven, een heel ander idee van normaal. Die mannen zeggen weleens: “Jij hebt makkelijk lullen over je emoties tonen. Als ik dat doe, word ik daarmee gepakt. Wat weet jij nu van mijn leven?” Daar zit een kern van waarheid in, vind ik. Je begint als professional op achterstand.”

Van Dam bepleit daarom de inzet van ervaringsdeskundigen. Bijvoorbeeld ex plegers van huiselijk geweld die steun bieden, iemand wegwijs maken, meegaan naar afspraken, het wantrouwen tegen instanties doen afnemen. “Je ziet nu ook zelfhulpgroepen ontstaan, begeleid door een ervaringsdeskundige ondersteund door professionals”, vertelt hij. “Ooit begon dat als een vorm van nazorg na behandeling. Nu ontdekken we dat zulke groepen al veel sneller van betekenis zijn.”

En dat is nodig. “Niet alleen hebben deze mensen zelf pijn en verdriet, ze veroorzaken ook veel schade bij anderen. Emotioneel, fysiek, financieel. Als we er in slagen deze mensen sneller, dus in de eerste lijn, en beter te ondersteunen, dan ben je echt aan het helpen.”

Auteur: Piet-Hein Peeters